Shamāʾil al-Nabī – al-Isbāl (het dragen van de kleding onder de enkels)

in Fiqh/Hadieth door

Shaykh ‘Abd al-Razzaq al-‘Abbad legt uit:

Een izār (broek/lendendoek) is hetgeen wat de onderkant van het lichaam bedekt en een riʾ (mantel) is hetgeen wat over de schouders wordt gedragen en wat de bovenkant van het lichaam bedekt. Dit was de kledij die bekend was in de tijd van de Profeet ﷺ en daarom bestaan er veel overleveringen dat hij ﷺ een izār en riʾ droeg. Maar in geen één overlevering staat er iets vermeld over de voortreffelijkheid van het dragen van de izār of de ridāʾ. Daarom is het incorrect om te zeggen dat het behoort tot de Sunnah om een izār of een ridāʾ te dragen, de Profeet ﷺ droeg het slechts omdat het behoorde tot de gewoonte van zijn tijd.

١١٩ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ مَنِيعٍ، قَالَ‏:‏ حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ، قَالَ‏:‏ حَدَّثَنَا أَيُّوبُ، عَنْ حُمَيْدِ بْنِ هِلالٍ، عَنْ أَبِي بُرْدَةَ، قَالَ‏:‏ أَخْرَجَتْ إِلَيْنَا عَائِشَةُ، كِسَاءً مُلَبَّدًا، وَإِزَارًا غَلِيظًا، فَقَالَتْ‏:‏ قُبِضَ رُوحُ رَسُولِ اللهِ صلى الله عليه وسلم، فِي هَذَيْنِ‏.‏

119 […] Het is overgeleverd van Ḥumayd b, Hilāl van Abī Burdah dat hij zei: “ʿĀʾishah haalde voor ons een doek bewerkt met lappen te voor schijn, en een dikke izār, waarna zij zei: “In deze twee werd de ziel van de Boodschapper van Allāh weggenomen”.[1]

 Zijn uitspraak: een doek bewerkt met lappen” De bedoeling van doek hier is een stuk stof die niet genaaid is, m.a.w. het is een onbewerkte stuk stof die zo gebleven is. Hiermee bedekte hij ﷺ het gedeelte van zijn bovenlichaam. Bewerkt met lappen betekent dat het midden ervan is versteld met lappenstof waardoor het daar compact is geworden, en het gelijkt op de dingen die erop zijn gelapt en daar opgehoopt zijn.

♦ Zijn uitspraak: een dikke izār” waarmee hij ﷺ het gedeelte van zijn onderlichaam bedekte, en het was van een stevige compacte stof.

♦ Zijn uitspraak: In deze twee werd de ziel van de Boodschapper van Allāh weggenomen” In deze twee m.a.w. hij ﷺ verliet deze wereld terwijl hij deze kleding droeg.

١٢٠ حَدَّثَنَا مَحْمُودُ بْنُ غَيْلانَ، قَالَ‏:‏ حَدَّثَنَا أَبُو دَاوُدَ، عَنْ شُعْبَةَ، عَنِ الأَشْعَثِ بْنِ سُلَيْمٍ، قَالَ‏:‏ سَمِعْتُ عَمَّتِي، تُحَدِّثُ عَنْ عَمِّهَا، قَالَ‏:‏ بَيْنَا أَنَا أَمشِي بِالْمَدِينَةِ، إِذَا إِنْسَانٌ خَلْفِي يَقُولُ‏:‏ ارْفَعْ إِزَارَكَ، فَإِنَّهُ أَتْقَى وَأَبْقَى فَإِذَا هُوَ رَسُولُ اللهِ صلى الله عليه وسلم، فَقُلْتُ‏:‏ يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّمَا هِيَ بُرْدَةٌ مَلْحَاءُ، قَالَ‏:‏ أَمَا لَكَ فِيَّ أُسْوَةٌ‏؟‏ فَنَظَرْتُ فَإِذَا إِزَارُهُ إِلَى نِصْفِ سَاقَيْهِ‏.‏

 120 […] Het is overgeleverd van Shuʿbah van al-Ashʿath b. Sulaym dat hij zei: “Ik hoorde mijn tante overleveren van haar oom dat hij zei: “Toen ik in al-Medīnah liep was er iemand achter mij die zei; ‘Trek jouw izār op want dat getuigt van meer godsbewustzijn en laat het langer meegaan’. Het bleek de Boodschapper van Allāh te zijn en dus zei ik: ‘O Boodschapper van Allāh! Het is slechts een gestreepte mantel. Hij zei: “Ben ik voor jou dan geen voorbeeld om gevolgd te worden?” Waarop ik naar hem keek en zag dat zijn izār tot het midden van zijn enkels kwam.”[2]

Het dragen van een izār vereist dat je ervoor zorgdraagt dat het niet steeds afzakt tijdens het lopen, daarom beval de Profeet ﷺ om er zorg voor te dragen. Dus zei hij: “Trek jouw izār op want dat getuigt van meer godsbewustzijn” M.a.w. dat is beter voor de relatie tussen jou en jouw Heer doordat je het gehoorzamen van Hem realiseert middels het verrichten wat hij gebiedt en het wegblijven van wat hij verbiedt. “en laat het langer meegaan” M.a.w. jouw kleding gaat langer mee want als je het optrekt is het veiliggesteld (van het raken van de grond) en zal het voor een langere periode goed blijven. I.t.t. wanneer je het laat zakken, want dan zal de grond invloed erop hebben. In sommige overleveringen wordt er gezegd “het is schoner” m.a.w. het blijft dan veiliggesteld van vuiligheid en dergelijken.

Een soortgelijke overlevering wordt vermeld in Ṣaḥīh al-Bukhārī op de dag dat ʿUmar b. al-Khaṭṭāb I de leider van de gelovigen werd gestoken.

De mensen kwamen naar hem toe (op zijn sterfbed) en prezen hem, toen kwam er een jongeman die zei: “Wees verheugd o leider van de gelovigen! Voor de blijde tijding van Allāh voor jou vanwege jouw gezelschap met Allāh’s Boodschapper en jouw superioriteit in de Islām zoals jij weet. Vervolgens werd je de heerser (d.w.z. Kalief) en regeerde je rechtvaardig en uiteindelijk heb je de martelaarsdood gekregen.” ʿUmar zei: “Ik wens dat het (mijn tekortkomingen) zal compenseren, zodat ik noch verlies noch winst zal ervaren.” Toen de jongeman zich omdraaide om te vertrekken, bleek dat zijn izār de grond raakte. Umar zei: “Roep de jongeman terug naar mij.” (Toen hij terugkwam) zei ʿUmar: “O zoon van mijn broeder! Trek je kleding omhoog, want dit is behoudender voor je kleding en getuigt van meer godsbewustzijn van jouw Heer.[3]

Dit is een specifiek voorschrift wat enkel voor mannen geldt en niet voor vrouwen. Daarom toen hij ﷺ zei: “Wie zijn kleding laag laat hangen uit pocherij dan zal Allāh niet naar hem kijken op de Dag der Opstanding.” Waarop Umm Salamah zei: “Wat moeten de vrouwen dan doen met hun sleep?” Hij ﷺ zei: “Zij dienen het een handbreedte lang te laten”. Waarop zij zei: “Dan zullen hun hielen zichtbaar worden” Waarop hij ﷺ zei: “Dan dienen zij het lang te laten voor de lengte van een dhirāʿ en dit dienen zij niet te overschrijden.” Een dhirāʿ is vanaf de elleboog tot de vingertoppen.

Dus de vrouw is bevolen met bedekking en dat is een veiligheid voor haar en een bescherming tegen de zondige verkeerde blikken. Daarom is zij bevolen met het lang laten van haar kleding ook al wordt de kleding hierdoor enigszins blootgesteld aan viezigheid, maar het profijt van het bedekken van haar hielen is groter.

♦ Zijn uitspraak: Het bleek de Boodschapper van Allāh te zijn” M.a.w. degene die sprak was de Boodschapper van Allāh ﷺ

♦ Zijn uitspraak: Het is slechts een zwart wit gestreepte mantel” Het is alsof hij – wa Allāhu Aʿlam – duidelijk wilde maken dat deze mantel met dit soort eigenschappen niet behoort tot de kledij die aanspoort tot opschepperij en pocherij, zelfs al zou men het tot over de enkels dragen. Integendeel, het is een bescheiden mantel.

Maar de Profeet ﷺ beantwoorde dit met zijn uitspraak: “Ben ik voor jou dan geen voorbeeld om gevolgd te worden?” Waarop ik naar hem keek en zag dat zijn izār tot het midden van zijn enkels kwam.

Ondanks dit alles zijn er sommige mensen – moge Allāh hen leiden en hun situatie verbeteren – die altijd hun kleding onder de enkels dragen. Wanneer zij naar een kledingmaker gaan geven ze hem de opdracht om hun kleding tot onder de enkels te naaien, vervolgens zeggen zij: Wij dragen het niet onder de enkels vanuit pocherij en hoogmoed.

Wanneer een moslim te weten komt dat er zoveel overleveringen authentiek zijn bevestigd van onze Profeet ﷺ waarin hij waarschuwt tegen al-Isbāl (het dragen van de kleding onder de enkels), zoals zijn uitspraak: “Hetgeen wat onder de enkels valt van de izār dat zal in het Vuur zijn.”[4]

En zijn ﷺ uitspraak: “Tot drie personen zal Allāh niet spreken op de Dag der Opstanding, en Hij zal niet naar hen kijken, Hij zal hen niet zuiveren, en voor hen is er een hevige bestraffing: De musbil (wie zijn kledij onder de enkels draagt), de mannān (wie iets goed doet voor iemand en vervolgens hem hieraan herinnerd), de verkoper die zijn koopwaar aanbiedt middels leugenachtig zweren.[5]

Hoe kan de moslim (die zich schuldig maakt aan isbāl) zich nog goed voelen met deze hevige waarschuwing die erop duidt dat al-isbāl behoort tot de grote zonden?!

١٢١ حَدَّثَنَا سُوَيْدُ بْنُ نَصْرٍ قَالَ: حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ الْمُبَارَكِ، عَنْ مُوسَى بْنِ عُبَيْدَةَ، عَنِ إِيَاسِ بْنِ سَلَمَةَ بْنِ الْأَكْوَعِ، عَنْ أَبِيهِ قَالَ: كَانَ عُثْمَانُ بْنُ عَفَّانَ، يَأْتَزِرُ إِلَى أَنْصَافِ سَاقَيْهِ، وَقَالَ: هَكَذَا كَانَتْ إِزْرَةُ صَاحِبِي، يَعْنِي النَّبِيَّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ

121 […] Het is overgeleverd van Iyās b. Salamah b. al-Akwaʿ van zijn vader die zei: “ʿUthmān b. ʿAffān droeg zijn izār tot het midden van zijn scheenbeen en hij zei; ‘Zo droeg mijn vriend zijn izār – m.a.w. de Profeet [6]

١٢٢ حَدَّثَنَا قُتَيْبَةُ بْنُ سَعِيدٍ قَالَ: حَدَّثَنَا أَبُو الْأَحْوَصِ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ مُسْلِمِ بْنِ نَذِيرٍ، عَنْ حُذَيْفَةَ بْنِ الْيَمَانِ قَالَ: أَخَذَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ بِعَضَلَةِ سَاقِي أَوْ سَاقِهِ فَقَالَ:

هَذَا مَوْضِعُ الْإِزَارِ، فَإِنْ أَبَيْتَ فَأَسْفَلَ، فَإِنْ أَبَيْتَ فَلَا حَقَّ لِلْإِزَارِ فِي الْكَعْبَيْنِ

122 […] Het is overgeleverd van Ḥudhayfah b. al-Yamān dat hij zei: “De Boodschapper van Allāh greep mijn kuiten of zijn kuiten en zei: “Dit is de plek van de izār, als je het niet wilt dan lager. Als je dat niet wil weet dan dat de izār niet bij de enkels dient te komen.”[7]

♦ Zijn uitspraak: greep mijn kuiten of zijn kuiten” De twijfel komt van een van de overleveraars, en de kuit is het vlees wat vast zit aan de achterkant van de schenen, het is een klein stukje hoger dan het midden van de scheen. Zoals de ḥadīth van Abū Hurayrah I duidelijk maakt toen hij zei: “De Boodschapper van Allāh ﷺ zei: “De izār van de gelovigen komt tot zijn kuiten, vervolgens tot het midden van zijn schenen, vervolgens tot zijn enkels. Wat lager valt dan dit zal in het Vuur zijn.” Overgeleverd door Aḥmad.[8]

♦ Zijn uitspraak: Als je dat niet wil weet dan dat de izār niet bij de enkels dient te komen.” D.w.z. dat de izār niet voorbij de enkels mag zakken, dus dit houdt in dat het ḥarām (verboden) is.

Het is bevestigd in de Sunan dat de plek onder het midden van de schenen tot aan de enkels toegestaan is. De moslims hebben hierover een consensus bereikt en dat het geen afgeraden handeling is. Vanwege verschillende overleveringen zoals de overlevering van al-ʿAlāʾ b. ʿAbd al-Raḥmān van zijn vader die zei: “Ik vroeg Abū Saʿīd al-Khudrī over de izār, waarop hij zei: “Je bent terechtgekomen bij een persoon die hierover welingelicht is, de Boodschapper van Allāh ﷺ zei: “De manier voor een gelovige om een izār te dragen is door het halverwege zijn schenen te laten hangen en hij is niet schuldig aan zonde als het halverwege tussen dat en de enkels komt, maar wat lager komt dan dat is in de hel. Wie zijn izār laag over de grond sleept Allāh zal niet naar hem kijken.” Overgeleverd door Aḥmad.[9]

Wat jammer is bij dit onderwerp is dat sommige dwaze jongeren de persoon die zijn kleding of izār draagt tot het midden van de schenen belachelijk maken. Maar wanneer zij naar verloop van tijd de Westerlingen hun broeken tot de knieën zien dragen dan doen zij hetzelfde als hen, en gaan zij de straat op met een broek tot de knieën. Wanneer de Westerlingen overgaan op het lukraak scheuren van stukken uit de broek dan imiteren zij hen hier ook in. Dan gaan ze ook strakke broeken dragen die lukraak afgerafeld zijn aan de onderkant. Dit duidt op een ziekte die zich bevindt in de harten van deze jongeren. Aangezien zij zich afwenden van de Profetische leiding, of sterker nog het belachelijk maken, terwijl het de beste leiding is, maar zij omarmen de valsheid die afkomstig is van hun vijanden.

🖋 Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf

📚 Sharh Shamaa`il al-Nabi


[1] Overgeleverd door al-Bukhārī #3108, Muslim #2080 en de auteur in ‘al-Djāmiʿ’ #1733

[2] Musnad van al-Imām Aḥmad #23086, #23087 van de overlevering van de tante van al-Ashʿath b. Sulaym van haar oom, en ook al is hij niet gekend de onbekendheid van een Ṣaḥābī schaadt niet en zijn tante is onbekend. In de Musnad van al-Imām Aḥmad V (#23087) wordt zij genoemd als ‘Ruhm’ en zij is onbekend. Dus de keten is zwak, maar het wordt ondersteund door de overlevering van al-Sharīd I in de Musnad van al-Imām Aḥmad #19472, wat het versterkt.

[3] #3400 van de ḥadīth van ʿAmrū b. Maymūn I

[4] Overgeleverd door al-Bukhārī #5787 van de ḥadīth van Abū Hurayrah I

[5] Overgeleverd door Muslim #106 van de ḥadīth van Abū Dharr I

[6] In de keten zit Mūsā b. ʿUbaydah; zwak

[7] Overgeleverd door de auteur in ‘al-Djāmiʿ #1783, Ibn Mādjah in ‘al-Sunan’ #3572, in de keten bevindt zich Abū Isḥāq, hij is een mudallis en hij levert over met ʿanʿana. Tevens bevindt zich in de keten Muslim b. Nadhīr, hij is maqbūl en zijn overleveringen worden niet gebruikt als ondersteunend bewijs behalve als iemand anders hetzelfde overlevert.

[8] Musnad van Aḥmad #7857, en al-Nasāʾī levert het over in ‘al-Sunan al-Kubrā’ #9709

[9] Musnad van Aḥmad #11397

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*