Al het goede zit in het navolgen van de Selef

al-Riyāʾ de verborgen shirk | Shaykh Ṣāliḥ al-ʿUthaymīn

in Aqidah door

al-Riyāʾ is het pronken met een daad van aanbidding om gezien te worden, wat ervoor zorgt dat de Ikhlāṣ (oprechtheid) voor Allāh verminderd of zelfs totaal wegvalt. Hierdoor kan men de daden van aanbidding verpesten. Shaykh al-ʿUthaymīn legt de verschillende situaties uit die bestaan omtrent al-Riyāʾ

Shaykh Ibn ʿUthaymīn – raḥimahullāh – zei: al-Riyāʾ kan de aanbidding vanuit drie invalshoeken beïnvloeden:

De eerste invalshoek: Wanneer de basis motivatie voor de aanbidding is om gezien te worden door anderen zoals degene die staat en het gebed verricht zodat mensen hem zien zodat zij hem prijzen voor zijn gebed. Dit maakt de daad van aanbidding ongeldig.

De tweede invalshoek: Wanneer het de daad van aanbidding beïnvloed tijdens het verrichten. Betekenend: dat de aanbidder in het begin oprecht is in zijn intentie voor Allaah, dan ontwikkelt het idee van al-Riyāʾ zich tijdens het verrichten van de aanbidding.

Deze aanbidding is niet vrij van twee toestanden:

De eerste toestand: Er is geen samenhang tussen het eerst gedeelte van de aanbidding en het laatste (gedeelte). Dan is het eerst (gedeelte) geldig in alle gevallen en het laatste (gedeelte) ongeldig. Een voorbeeld hiervan: Een man heeft honderd Riyāl die hij wil geven als liefdadigheid. Hij geeft vijftig ervan in een oprechte daad van liefdadigheid. Dan ontwikkelt het idee van al-Riyāʾ zich betreffende de overgebleven vijftig. Dus de eerste liefdadigheid was correct en geaccepteerd. En de
overgebleven vijftig was een ongeldige daad van liefdadigheid omdat de Riyāʾ gemixt was met oprechtheid.

De tweede toestand: Dat het eerste (gedeelte) van een daad van aanbidding is gekoppeld aan het laatste (gedeelte). Mensen zijn dan niet vrij van (de volgende) zaken:

  • De eerste zaak: Hij verdringt de Riyāʾ en geeft hier niet aan toe. Hij wend zich hiervan af en haat het. Dit heeft geen effect op hem omdat de Profeet (vrede en zegeningen zijn met hem) zei: “Allāh heeft mijn Gemeenschap vergeven voor wat in hun gedachten komt zolang als zij hier niet naar handelen of erover spreken.” 
  • De tweede zaak: Wanneer hij toegeeft aan deze Riyāʾ en dit niet afwendt. In dit geval wordt de gehele (daad van) aanbidding ongeldig omdat het eerste gedeelte gekoppeld is aan het latere gedeelte.

Een voorbeeld hiervan: Hij begint zijn gebed met een oprechte intentie naar Allāh, dan verschijnt de Riyāʾ in de tweede rakʿah. Dan wordt het gehele gebed ongeldig omdat het eerste gedeelte gekoppeld is aan het latere gedeelte. 

De derde invalshoek: al-Riyāʾ ontwikkeld zich wanneer de (daad van) aanbidding geëindigd is. Dit heeft er geen effect op en maakt het niet ongeldig. Omdat het (de daad van aanbidding) correct afgemaakt is. Dus het verschijnen van al-Riyāʾ daarna heeft er geen effect op.

Het is niet van al-Riyāʾ wanneer een persoon blij is dat de mensen te weten komen over zijn aanbidding omdat het zich ontwikkeld heeft na zijn daad van aanbidding. Het is niet van al-Riyāʾ wanneer een persoon zichzelf gelukkig voelt nadat hij een daad van gehoorzaamheid heeft verricht omdat dit een bewijs van zijn geloof is. De Profeet (vrede en zegeningen zijn met hem) zei:

Wie zich dan ook gelukkig voelt door zijn goede daden en verdrietig door zijn slecht daden, dat is een Moe’min (gelovige).

De Profeet (vrede en zegeningen zijn met hem) werd hierover gevraagd en zei:

“Dit is het eerste goede teken van de gelovige.”

Bron: Madjmūʿ al Fatāwā van Shaykh Ibn ‘ʿUthaymīn, deel 2 bladzijde 29/30
Vertaald door: Aboe Roemaissa Ridouan al-Holandi

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*

Meeste recente van Aqidah

Ga naar Boven